⌂   Startƒ   Schaal en gelijkvormigheid
WISKUNDE OEFENEN · ALTIJD GRATIS

Schaal en gelijkvormigheid oefenen – VWO 3 basis

Lengte-, oppervlakte- en inhoudsfactoren gebruiken.

VWO 3 · BasiswiskundeBasis voor alle profielvakkenAndere leerroute ↗
UITLEG · VOORBEELD · ZELF DOEN

Schaal en gelijkvormigheid begrijpen

Na deze les: Je onderscheidt lengte-, oppervlakte- en inhoudsfactoren bij gelijkvormigheid.

Voor je begint: Vormen, schaal en ruimte

Houd lengte-, oppervlakte- en inhoudsfactoren uit elkaar en gebruik dezelfde eenheden.

Gebruik een model alleen binnen zijn bedoelde domein. Schrijf bij twijfel op wat je weet, wat je aanneemt en wat je nog moet controleren.

1. Wat betekent dit en waarom werkt het?

Gelijkvormige figuren hebben dezelfde vorm en gelijke overeenkomstige hoeken. Elke lengte verandert met dezelfde factor k. Een oppervlakte bevat twee lengterichtingen en verandert dus met k². Een inhoud bevat er drie en verandert met k³. Een schaal 1:100 betekent dat één lengte-eenheid op de tekening honderd van dezelfde eenheid in werkelijkheid voorstelt.

\[L_{\mathrm{nieuw}}=kL,\qquad A_{\mathrm{nieuw}}=k^2A,\qquad V_{\mathrm{nieuw}}=k^3V\]

Lees de formule samen met de uitleg. Benoem wat elk symbool voorstelt voordat je getallen invult.

2. Een aanpak die je kunt volgen

  1. Zet alle lengtes in dezelfde eenheid.
  2. Bereken de lengtefactor k in de juiste richting.
  3. Gebruik k, k² of k³ afhankelijk van de gevraagde grootheid.

3. Uitgewerkt voorbeeld

De opgave
Een model met oppervlakte 12 cm² en inhoud 20 cm³ wordt driemaal zo groot in elke richting.

  1. De lengtefactor is k=3.
  2. De oppervlaktefactor is 9, dus de nieuwe oppervlakte is 108 cm².
  3. De inhoudsfactor is 27, dus de nieuwe inhoud is 540 cm³.

Zo controleer je het: De inhoud groeit sneller dan de oppervlakte. Dat is logisch omdat ook de derde richting groter wordt.

Een veelgemaakte fout

Een vergroting met 200% is factor 3, maar vergroten tot 200% is factor 2. Lees de formulering precies.

Verdieping en verantwoord gebruik

Bij schaalfactor \(k\) schalen lengtes met \(k\), oppervlakten met \(k^2\) en inhouden met \(k^3\).

Controleer: zijn definities, eenheden en afrondingen duidelijk? Kan een andere leerling je stappen herhalen? Welke uitzonderingen of onzekerheden kunnen het antwoord veranderen?

4. Nu jij

De oppervlakte wordt viermaal zo groot. Wat is de lengtefactor en de inhoudsfactor?

Probeer eerst zelf. Schrijf de tussenstappen op en controleer je uitkomst voordat je de uitwerking opent.

Bekijk het antwoord en de redenering

k=√4=2 en de inhoudsfactor is 2³=8.

Oefen schaal en gelijkvormigheid →

HAVO 3 · Basiswiskunde · Een bijpassende opgave opent direct.

Officiële oriëntatie: SLO over havo/vwo-curricula · CBS open data en definities. Deze bronnen helpen bij curriculum- en datataal; ze vervangen geen docent, examenreglement of persoonlijke beoordeling.