⌂   Startƒ   Tabellen, frequenties en diagrammen
WISKUNDE OEFENEN · ALTIJD GRATIS

Tabellen, frequenties en diagrammen oefenen – VWO 4 wiskunde D

Data samenvatten en relatieve of cumulatieve frequenties interpreteren.

VWO 4 · Wiskunde DVoorbereiding op het schoolexamenAndere leerroute ↗
UITLEG · VOORBEELD · ZELF DOEN

Tabellen, frequenties en diagrammen begrijpen

Na deze les: Je zet frequenties om naar percentages en leest diagrammen kritisch.

Voor je begint: Statistische geletterdheid

Lees wie of wat is gemeten, hoe de steekproef is gekozen en welke gegevens ontbreken. Centrummaten en spreiding beantwoorden verschillende vragen.

Gebruik een model alleen binnen zijn bedoelde domein. Schrijf bij twijfel op wat je weet, wat je aanneemt en wat je nog moet controleren.

1. Wat betekent dit en waarom werkt het?

Een absolute frequentie is een aantal; een relatieve frequentie is het deel van een totaal. Een cumulatieve frequentie telt alle waarnemingen tot en met een grens op. De gekozen noemer bepaalt wat een percentage betekent. Bij ongelijke klassenbreedten moet een histogram met frequentiedichtheid werken als de oppervlakte de aantallen moet voorstellen. Lees ook altijd schaal, eenheid en beginpunt van de as.

\[\text{percentage}=\frac{\text{aantal}}{\text{totaal}}\cdot100\%,\qquad\text{sectorhoek}=\frac{\text{aantal}}{\text{totaal}}\cdot360^\circ\]

Lees de formule samen met de uitleg. Benoem wat elk symbool voorstelt voordat je getallen invult.

2. Een aanpak die je kunt volgen

  1. Bepaal welke groep het totaal vormt.
  2. Zet aantallen om naar verhoudingen of percentages.
  3. Controleer assen, klassen en of alle categorieën samen het geheel vormen.

3. Uitgewerkt voorbeeld

De opgave
Van 80 leerlingen fietsen er 30 naar school. Geef percentage en sectorhoek.

  1. De relatieve frequentie is 30/80=0,375.
  2. Het percentage is 37,5%.
  3. De sectorhoek is 0,375·360°=135°.

Zo controleer je het: De overige 50 leerlingen zijn 62,5%; de percentages tellen samen op tot 100%.

Een veelgemaakte fout

Een stijging van 20% naar 30% is 10 procentpunt en relatief 50%, niet 10% relatieve groei.

Verdieping en verantwoord gebruik

Een betrouwbaarheidsinterval hoort bij een procedure en model. Scheid statistische significantie van praktische betekenis.

Controleer: zijn definities, eenheden en afrondingen duidelijk? Kan een andere leerling je stappen herhalen? Welke uitzonderingen of onzekerheden kunnen het antwoord veranderen?

4. Nu jij

Een categorie bevat 18 van 60 waarnemingen. Geef percentage en sectorhoek.

Probeer eerst zelf. Schrijf de tussenstappen op en controleer je uitkomst voordat je de uitwerking opent.

Bekijk het antwoord en de redenering

30% en 108°.

Oefen tabellen, frequenties en diagrammen →

HAVO 4 · Wiskunde A · Een bijpassende opgave opent direct.

Officiële oriëntatie: SLO over havo/vwo-curricula · CBS open data en definities. Deze bronnen helpen bij curriculum- en datataal; ze vervangen geen docent, examenreglement of persoonlijke beoordeling.